De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Over bijenrassen en over alle aspecten van koninginnenteelt.
Plaats reactie
Frans vanTongeren
Berichten: 2016
Lid geworden op: wo 29 nov 2000, 00:00
Locatie: Nederland

De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Frans vanTongeren » za 13 jan 2001, 19:30

NAAR EEN RESTAURATIE VAN APIS M. MELLIFERA IN VLAANDEREN EN
NEDERLAND?
Jurgen Vandebotermet

In zijn reeks artikels "Over bijensoorten, -rassen, -stammen
en -lijnen" bespreekt A. Schotanus bij zijn overzicht van de
"Europese" rassen van de honingbij o.a. de Apis mellifera
mellifera of "donkere bij" (Maandblad V I.B. 1998/5, pp. 183-188).
Op p. 187 van dat artikel stelt hij deze vraag : "Is er in
Vlaanderen belangstelling voor de restauratie van de oorspron-
kelijke, inheemse, "donkere bij?"
Die pertinente vraag heeft mij sindsdien niet meer losgelaten.
Na een grondige studie van de relevante literatuur (bibliografie
op aanvraag verkrijgbaar bij de auteur) en via mijn contacten
met BIBBA ben ik tot de conclusie gekomen dat de "ten onrechte
verstoten en jarenlang veronachtzaamde Apis m. mellifera" heel
wat te bieden heeft aan de doorsnee imker in Vlaanderen of Neder-
land, zeker, maar niet noodzakelijk, na enige voorafgaandelijke
selectie. Met dit artikel wil ik de handschoen van dhr. Schotanus
opnemen en opnieuw een lans breken voor de inheemse donkere bij.
Er zijn nl. heel wat argumenten die in haar voordeel pleiten.

In de eerste plaats is de Apis m. mellifera (voortaan kortweg
"mellifera" of "donkere bij" genoemd), meer dan enig ander bijen-
ras (zonder daarbij afbreuk te willen doen aan de onbetwiste
kwaliteiten van de carnica), bij uitstek aangepast aan ons weer-
barstige (winderig, kil en nat) Noordzeeklimaat. Daar hebben
10.000 jaar natuurlijke selectie sinds de laatste ijstijd voor
gezorgd. Ook nu nog, alhoewel de inheemse donkere bij in haar
zuivere vorm door ondoordacht menselijk handelen zo goed als
volledig uit de Lage Landen verdwenen is, maken haar erfelijke
eigenschappen nog een heel groot deel uit van de "genenpool" van
onze doorsnee bastaardbij, ondanks massale import van bodem
vreemde rassen sinds de Eerste Wereldoorlog. Hoe erbarmelijker
de weersomstandigheden, hoe meer de natuurlijke selectie die
eigenschappen bevoordeelt, tenzij de imker die selectiedruk
compenseert door tegen beter weten in zwakke volken kost wat
kost te willen redden.

Welke zijn nu die eigenschappen?
De donkere bij springt spaarzaam om met de beschikbare
voedselvoorraden. Stuifmeel wordt vroeg in de lente verzameld
en in grote hoeveelheden opgeslagen, zodat er steeds voorraad
is voor 2 tot 3 weken. Het inslaan van de stuifmeelvoorraad
voor de winter gebeurt ook vroeger dan bij andere rassen. De
broedaanzet is altijd voorzichtig en wordt snel teruggeschroefd
in periodes van verminderde dracht. Dat geeft de mellifera in
ons klimaat een duidelijk evolutionair voordeel ten opzichte van,
bijvoorbeeld, de ligustica. Met haar sterk expanderende volken en
geringe stuifmeelvoorraden ligt de verhouding jong broed versus
adulte bijen bij dat ras duidelijk veel te hoog voor onze onvoor-
spelbare weersomstandigheden, waardoor de imker al te vaak moet
bijvoeren.
Het vliegbereik en lastvermogen van de mellifera zijn door haar
robuuste lichaamsbouw beduidend groter dan dat van enig ander ras.
Tengevolge van haar donkere pantserkleur raakt ze sneller opge-
warmd dan lichter gekleurde rassen en door haar grote lichaam en
lange beharing houdt ze die warmte ook langer vast. Ze vliegt uit
bij lagere temperaturen (vanaf 5,5ƒC) waardoor ze zowel vroeger
als later op de dag kan verzamelen. Aanhoudende druilregen of
sterke wind houden haar evenmin in de kast. Bij lange periodes
van aanhoudend slecht weer vindt de bruidsvlucht vaak plaats in
de onmiddellijke omgeving van de bijenstand en dat al vanaf 9ƒC.

Alhoewel de getalsterkte van een melliferavolk steeds beperkt
tot matig blijft, leven de werksters (net als de koninginnen)
opmerkelijk lang (zomerbijen tot 10 weken) en zijn er opvallend
meer haalbijen dan huisbijen, waardoor de honingopbrengst vaak
nog onverwacht groot uitvalt voor zulk een bescheiden volk,
vooral in magere periodes.

De donkere bij overwintert ook uitstekend. De wintertros is
klein maar erg compact, waardoor de warmte goed wordt vastge-
houden en de sterfte minimaal blijft. De mellifera is ook
minder afhankelijk van reinigingsvluchten dan andere rassen
omdat ze fecaliÎn langer in het rectum kan opslaan. Een winter-
zonnetje na sneeuwval zal haar niet naar buiten lokken.

Haar broednest is mooi compact en stuifmeel wordt er zo dicht
mogelijk bij opgeslagen, dikwijls in een ononderbroken cirkel
er rond. Honing wordt buiten de stuifmeelkring opgeslagen in
een zo klein mogelijk volume. De verzegeling van de honingraten
is exemplarisch spierwit met convexe dekseltjes over een dun
luchtlaagje zodat de honing niet kan "wenen" en minder gemakke-
lijk gaat gisten.

De broedstop vindt plaats in de vroege zomer (rond half juli),
waardoor de winterbijen hun eiwit-vetlichaam in de herfst niet
meer aan verlate broedzorg hoeven te verkwisten en sterk de
winter in kunnen. Die vroege broedstop heeft tevens het belang-
rijke voordeel dat het aantal varroamijten in een mellifera-
kolonie niet exponentieel kan blijven groeien.

Het volume jong broed blijft ten allen tijde matig, zelfs in
periodes van overvloedige dracht, zodat de broedzorg altijd
optimaal blijft, ook in periodes van verminderd voedselaanbod.
De werksters leven bijgevolg lang, waardoor de natuurlijke
bevolkingspiramide in een melliferavolk moeiteloos in stand kan
gehouden worden en alle taken steeds verzekerd blijven. De kans
op een onvoorziene bevolkingsimplosie blijft daardoor altijd
gering, wat een gedeeltelijke verklaring zou kunnen vormen voor
de geringe zwermlust van de donkere bij, zelfs in een krappe be-
huizing (cf. de lezing van Herwig Ramon over een oude bedrijfs-
methode met beperkte broedruimte op het laatste Vlaamse Imkers-
congres te Oostmalle). Zwermtrage melliferastammen vertonen
bovendien niet zelden een aanleg voor stille moerwisselingen
waarbij de oude en nieuwe koningin nog een hele tijd samen aan
de leg blijven, soms zelfs overwinteren, alvorens de oude moer
wordt verwijderd. (Dit heeft dus niets te maken met het voor-
tijdig falen van de koningin, vandaar de Engelse term "queenright
supersedure" ). De onterechte reputatie van de mellifera als een
ras met een grote zwermdrift is enkel het gevolg van een doorge-
dreven selectie op die eigenschap door de korfimkers uit vroeger dagen.

Ook de reputatie van de inheemse donkere bij als rasechte
steekduivel is beslist onverdiend. Dat bewijzen de talrijke
historische bronnen die getuigen van een minimale bescherming
bij het imkeren. Waar er toch van een uitgesproken agressief
gedrag sprake is (steeklustig en neiging tot achtervolgen), is er
onveranderlijk sprake van bastaardvormen. Vooral de kruisingen
met carnica en buckfast kunnen ongemeen agressief zijn, hoewel ze
een spectaculaire haaldrift ten toon spreiden (heterosiseffect).
Niets wijst erop dat na zorgvuldige selectie de raszuivere mellifera
niet even zachtaardig en handelbaar zou kunnen zijn als de carnica of
ligustica (die al tientallen jaren intensief "veredeld" worden),
wat door de inspanningen van o.a. de Galtee Bee Breeding Group in
Ierland trouwens overtuigend bewezen wordt. Bovendien zijn de
diverse melliferastammen uit de verschillende regio's binnen haar
areaal onderling goed verenigbaar, waardoor inteelt bij de
selectie geen probleem mag vormen.

Wat wel klopt is dat de donkere bij over het algemeen een
geringeraamvastheid vertoont. Wanneer men een raam uit de
broedkamer neemt, hebben de bijen vaak de neiging om over
de bovenkant te rennen, in een tros er onderaan te gaan hangen
of er zelfs af te springen. Dit nerveuze temperament is even-
eens terug te voeren op een oude gewoonte uit de korfimkerij
waarbij een volk voor de honingoogst met geroffel uit de korf
werd gedreven, zodat men het niet hoefde af te zwavelen.
Het vervangen van de koningin door een minder stressgevoelige en
de ramen bij inspecties niet te bruusk hanteren kunnen deze
moeilijkheid al voor een groot deel verhelpen.

De donkere bij is beslist niet zuinig wat haar gebruik van
propolis betreft. Dat maakt het inspecteren van de ramen niet
altijd even makkelijk, maar heeft wel tot gevolg dat mellifera-
volken minder vaak te lijden hebben van nosema infecties
(antibiotische werking van propolis). De inheemse bij is wel
tamelijk bevattelijk voor kalkbroed. Dat heeft te maken met een
variabele nesttemperatuur : tijdens de nacht en in periodes van
verminderde nectargift kan de nesttemperatuur gevoelig dalen
(verschillen van 17 graden tussen maxima en minima zijn niet
uitzonderlijk), waardoor de voedselreserves in mindere mate
moeten aangesproken worden, wat dan weer een duidelijk over-
levingsvoordeel met zich meebrengt in een weinig toeschietelijk
klimaat als het onze.

Al deze eigenschappen contrasteren duidelijk met die van de
ligustica, die in de meeste opzichten de antipool is van de
mellifera (een mild mediterraan klimaat vergt tegenovergestelde
strategieÎn). De carnica die aan strenge winters aangepast is
en bij ons dan ook probleemloos overwintert, is toch meer op
een ononderbroken nectargift tijdens warme lentes en zomers
ingesteld (continentaal klimaat) en bijgevolg minder op over-
leven gericht dan de robuuste mellifera. De buckfast kunnen
we in dat opzicht ergens tussen de ligustica en de carnica
situeren.

De hierboven besproken karakteristieken zijn ook eerder typisch
voor de melliferastammen uit Noordwest Europa (Britse Eilanden,
Lage Landen, Duitsland en ScandinaviÎ). Het spreekt voor zich
dat de variÎteiten in het droge en warme klimaat van Zuid-Frank-
rijk of in het uitgesproken continentale klimaat van Rusland
een heel ander conglomeraat van eigenschappen laten zien.

Toch geeft deze oppervlakkige schets al een aardig idee van
de interessante mogelijkheden die de donkere bij biedt voor
verdere selectie. Het lijkt ons een bijenras dat bij uitstek
geschikt isvoor exhaustieve bijenteelt, ÈÈn dat ook bij een
minimum aan zorg of in periodes van aanhoudend slecht weer
toch nog aanvaardbare resultaten oplevert dankzij haar grote
zelfredzaamheid (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de ligustica,
die in een klimaat als het onze met alle mogelijke zorg moet
vertroeteld worden). Dat maakt de donkere bij zeer geschikt
voor de drukbezette "weekendimker" die met een minimum aan
ingrepen toch een goede honingopbrengst wil behalen. Waarmee
ik geenszins wil zeggen dat de mellifera een soort wonderbij
is waarnaar je als imker verder niet meer hoeft om te kijken.
Niets is minder waar. Een maximum aan resultaat bereik je
ook met dit ras alleen wanneer je de bijen met de nodige toe-
wijding verzorgt. Laten we dat vooral niet vergeten.

Ten slotte is er nog een andere, zelfs dwingender reden waarom
de imker vandaag de dag de mellifera niet langer straffeloos
kan blijven negeren : die van het natuurbehoud. Steeds vaker
steken allerlei bijenziekten opnieuw de kop op. Amerikaans vuil-
broed, acariose en uiteraard de Varroamijt laten zich niet meer
wegcijferen. Een blijvende en afdoende oplossing voor heel wat
bijenziekten zal op de lange termijn alleen te vinden zijn op
het vlak van een grotere genetische resistentie van onze volken.
Dat aspect hebben we de laatste jaren in onze bijenteelt
misschien wat al te vaak verwaarloosd, terwijl de natuurlijke
selectie op die eigenschap door ons imkertechnische ingrijpen
zo goed als weggevallen is.

Daar komt bovenop dat de genetische diversiteit binnen de
Europese honingbij de laatste decennia schrikbarend achteruit
gegaan is. Het tanende aantal imkers in de meeste Europese
landen, de toenemende verschraling van de plantenrijkdom door
het doorgedreven gebruik van pesticiden en de blijvende nadruk
op monoculturen, de voortschrijdende vermenging, al dan niet
opzettelijk, van verschillende bijenrassen tot een soort uniforme
Eurobij, en de verdwijning van de laatste wilde bijenkolonies
door toedoen van de niet te stoppen Varroamijt (die onlangs
tenslotte Ierland bereikt heeft) zijn daarvoor verantwoordelijk.

Om die genetische erosie te stoppen is het absoluut nood-
zakelijk dat zo veel mogelijk verschillende regionale
variÎteiten of ecotypes van de Apis m. mellifera voor de toe-
komst bewaard blijven. DNA-onderzoek heeft immers uitgewezen dat
de genetische verschillen tussen locale stammen binnen het
melliferaras vaak groter zijn dan de onderlinge verschillen
tussen verwante rassen als de italica, de carrnica en de anatolica.
Mogelijk vertonen sommige van die melliferastammen, in mindere
of meerdere mate, resistentiemechanismen tegen ziektes die
bij onze "veredelde" bijen ontbreken. Het zou een enorme
verarming betekenen, moest dat waardevolle erfelijke materiaal
voorgoed verdwijnen, aangezien die zeldzame eigenschappen
zelfs na decennia kunstmatige selectie wellicht nooit meer
te voorschijn gehaald kunnen worden.

Rabiate tegenstanders van de alom verguisde mellifera hebben
altijd beweerd dat dit ras in Europa nergens meer in haar
zuivere vorm te vinden was, maar verscheidene omvangrijke
morfometrische en DNA-studies hebben onomstotelijk het tegendeel
bewezen (cf. het eerder geciteerde artikel van A.Schotanus).
Gelukkig is er de laatste jaren een duidelijke kentering opge-
treden in de houding van allerlei imkersorganisaties t.a.v. de
inheemse bij. Men wordt zich stilaan bewust van haar kapitale
belang voor de genetische diversiteit binnen de westerse honingbij
als diersoort. In verscheidene Europese landen zijn er het laatste
decennium allerlei organisaties opgericht die zich inzetten voor
het behoud of de restauratie van de lokale ecotypes van de in-
heemse bij, zelfs in WalloniÎ.

Ik denk dat ook in Vlaanderen en Nederland de tijd stilaan rijp
geworden is om ons steentje tot die voor de imker zo belangrijke
vorm van natuurbehoud bij te dragen. Daarom wil ik er hier nog-
maals voor pleiten dat de mellifera in het vernieuwde programma
van de selectiewerkgroep zou opgenomen worden. Uiteraard moet die
op te richten Mellifera-groep een voldoende brede basis hebben,
alleen al om het probleem van de inteelt uit te bannen. Bevruch-
ting van koninginnen zal noodgedwongen via kunstmatige insemina-
tie moeten gebeuren.

Een dergelijk, technisch moeilijk, project kan enkel kans van
slagen hebben als het van bij de aanvang kan rekenen op voldoende
steun van een aantal ervaren koninginnentelers die enthousiast
genoeg zijn om deze uitdaging aan te gaan en vooral met veel
toewijding vol te houden. Ik wil dan ook van deze kans gebruik
maken om een dringende oproep te doen aan alle geÔnteresseerden
om zich bij de selectiewerkgroep te melden opdat het Mellifera-
project snel van de grond zou kunnen komen. Als er voldoende reactie
komt, zouden we al over enkele jaren bemoedigende resultaten moeten
kunnen behalen gezien de ervaringen van verscheidene groepen in het
buitenland.

Hieronder volgt een lijst met organisaties die zich bezig houden
met de selectie van de donkere bij in hun eigen land. Ten gevolge
van plaatsgebrek vermeld ik alleen hun naam en adres. Een bespreking
van hun werking zal moeten wachten tot een andere keer. Voor wie op
individuele basis met de mellifera wil experimenteren volgt daaronder
een lijst met telers bij wie melliferakoninginnen besteld kunnen
worden. Bedenk wel dat geen van die imkers professionele bijentelers
zijn, zodat het aantal koninginnen dat u in ÈÈn keer kan bestellen
noodgedwongen beperkt moet blijven. Vergeet niet uw bestelling ook
tijdig te plaatsen.
Aangezien niemand van hen koninginnen voor het geld verkoopt, maar
alleen uit idealisme teeltmateriaal tegen kostprijs ter beschikking
stelt, voegt u best een begeleidend briefje bij uw bestelling waarin
u uitlegt wal u van plan bent. Een vriendelijk woord doet altijd
deugd en zal uw contacten heel wat vlotter laten verlopen.

Tot slot moet u er terdege rekening mee houden dat de mellifera
een grote genetische variatie binnen haar verspreidingsgebied
vertoont en dat u een ecotype moet kiezen dat aangepast is aan
devegetatie en klimatologische omstandigheden van onze streken,
zo niet zullen uw inspanningen wellicht op een teleurstelling
uitdraaien. Daarom raad ik u aan u te beperken tot de onmiddel-
lijke buurlanden : Ierland, Groot-BrittanniÎ, West-Duitsland,
WalloniÎ en Noord-Frankrijk.

Wie in een door de selectiewerkgroep gecontroleerd Mellifera-
project wil stappen, raad ik aan nog even te wachten tot er
concrete werkingsmodaliteiten vastgelegd zijn. Hier zal immers
volgens een strikt teeltschema gewerkt moeten worden, waarbij
niet alleen het teeltmateriaal gegarandeerd raszuiver moet zijn,
maar waarbij er ook een voldoende aantal koninginnen van dezelfde
stam voorhanden moet zijn, zo niet kan er van enig ernstig
selectiewerk niets in huis komen.
Zulke relatief grote aantallen raszuiver gepaarde koninginnen
kunnen slechts op enkele plaatsen in Europa verkregen worden.
Hieronder worden er drie besproken die voor onze doeleinden het
meest in aanmerking komen. Voor de adressen verwijs ik naar de
lijst met organisaties en telers.

In County Tipperary in Ierland is de Galtee Bee Breeding Group
(een 10-tal actieve leden) werkzaam in een gebied van meer dan
650 vierkante kilometer waarin uitsluitend met de mellifera
geÔmkerd wordt. De klimatologische omstandigheden zijn er
nagenoeg identiek aan de onze. Hun voorzitter, dhr. Micheal
MacGiolla Coda heeft al heel wat jaren selectiewerk aan zijn l
ijn verricht. Zijn "dark Galtee queens" hebben dan ook de
reputatie heel handelbaar en zachtaardig te zijn.

In West-Bretagne in Frankrijk zet de vereniging Abeille Noire
Bretonne (een 70-tal leden) zich in voor het behoud en de
verdere selectie van de Bretoense donkere bij. Hun werk kadert
in een ruimer project dat de instandhouding van de inheemse
biodiversiteit beoogt en dat de volle steun geniet van de
plaatselijke overheid. In 1989 werd er op het eiland Ouessant
voor de Bretoense kust een reservaat met paringsstation voor de
lokale melliferastam opgericht onder leiding van de voormalige
voorzitter en enige imker aldaar, dhr. Georges Hellequin. Na
diens overlijden in 1998 ging de leiding van het project over in
handen van dhr. Job Pichon. Het 50-tal kolonies op het eiland
wordt door biologen beschouwd als een typevoorbeeld van de Franse
donkere bij.

Midden in het Kattegat, de zee-engte tussen Zweden en Jutland,
ligt het Deense eiland Laesoe. Daar vinden we de zuiverste
vertegenwoordigers van de noordelijke variant van de Apis m.
mellifera. Het eiland van 25 bij 10 km telt zulk een groot aantal
bijenkolonies dat het als een natuurlijke "genenbank"
beschouwd mag worden, temeer daar recent DNA-onderzoek uitge-
wezen heeft dat de afstamming van deze bijen, tengevolge van
hun eeuwenlange isolatie, ver in het verleden moet gesitueerd worden.
Met hun uniforme zwarte uiterlijk vormen ze een opvallende
verschijning. Ze zijn opmerkelijk zachtaardig en bijzonder
winterhard. Deze bijen worden zo belangrijk geacht voor het
behoud van de genetische variatie binnen de mellifera, dat het
Europese gerechtshof, op grond van de Internationale Conventie
voor Biologische Diversiteit, op 3 december 1998 geoordeeld heeft
dat er op Laesoe geen andere bijen dan de lokale stam van de noorde-
lijke donkere bij mogen gehouden worden. De import van bodemvreemde
bijen is er dan ook definitief volledig verboden. Dhr. Carl Johan
Junge is de voorzitter van de plaatselijke imkersgroep.



--------------------------------------------------------------------------------
Van: Joppe, Nederland | IP: ingelogged



Edited by - Piet Jager on 22/08/2001 19:21:27

Gerard Boswinkel
Berichten: 347
Lid geworden op: do 25 jan 2001, 00:00
Imker sinds: 1983
Aantal volken: 8
Bijenras(sen): Buckfast
Locatie: Eibergen
Contacteer:

Re: De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Gerard Boswinkel » wo 31 jan 2001, 19:23

verstuurd 31-01-2001 No. 82
--------------------------------------------------------------------------------
Frans van Tongeren schreef: NAAR EEN RESTAURATIE VAN APIS M. MELLIFERA IN VLAANDEREN EN
NEDERLAND?
Jurgen Vandebotermet

Hoi Frans, (of moet ik zeggen meneer van der Botermet)

Het stukje dat jij gecopieerd hebt stond vorig jaar in een nummer van het maandblad van de Vlaamse Imkersbond. Persoonlijk vond ik dit een zeer interessant artikel. Vandaar ook dat ik Maarten Kleijne naar dit artikel verwezen heb toen hij om info vroeg over de Apis mellifera mellifera. Echter heb ik op twee punten uit het artikel wel enige kritiek. Daar gaan we dan:

Vandebotermet schreef:De broedstop vindt plaats in de vroege zomer (rond half juli), waardoor de winterbijen hun eiwit-vetlichaam in de herfst niet meer aan verlate broedzorg hoeven te verkwisten en sterk de winter in kunnen. Die vroege broedstop heeft tevens het belangrijke voordeel dat het aantal varroamijten in een mellifera-kolonie niet exponentieel kan blijven groeien.

Volgens mij klopt de bewering dat de A.m.m. rond half juli stopt met broeden van meneer van de Botermet (vanaf nu meneer B genoemd)niet. Eén van eigenschappen die door de doorsnee imker over de A.m.m. wordt beweerd, is dat ze zeer geschikt is voor de heidedracht. Dit zou volgens mij niet kunnen als de bij al stopt met het broeden rond half juli want dan zou ze vergelijkbaar zijn met de carnica en daarvan wordt nu juist beweerd dat zij minder geschikt is voor de heidedracht (overigens heb ik hier geen ervaring mee hoor). In "Naturgeschichte der Honigbiene" van Ruttner wordt de A.m.m. uitgebreid behandeld en deze meneer beweert dat het einde van de broedperiode bij deze bij afhankelijk is van het ekotype van deze bij waarmee je van doen hebt. Volgens mij hebben we in Nederland te doen met een ekotype van de A.m.m. die sterk was aangewezen op de heidedracht en daarbij behoort een broedstop die laat in het seizoen ligt, zeg eind september tot half oktober.

Vandebotermet schreef:Het volume jong broed blijft ten allen tijde matig, zelfs in periodes van overvloedige dracht, zodat de broedzorg altijd optimaal blijft, ook in periodes van verminderd voedselaanbod. De werksters leven bijgevolg lang, waardoor de natuurlijke bevolkingspiramide in een melliferavolk moeiteloos in stand kan gehouden worden en alle taken steeds verzekerd blijven. De kans op een onvoorziene bevolkingsimplosie blijft daardoor altijd
gering, wat een gedeeltelijke verklaring zou kunnen vormen voor de geringe zwermlust van de donkere bij, zelfs in een krappe behuizing (cf. de lezing van Herwig Ramon over een oude bedrijfsmethode met beperkte broedruimte op het laatste Vlaamse Imkerscongres te Oostmalle).

Ook met de stelling dat de A.m.m. zwermtraag zou zijn ben ik het niet eens. In de tijd dat ik nog met de donkere bij werkte had ik altijd grote moeite de zwermdrang van de bijen in bedwang te houden. Het overkwam me in die jaren vaak voor dat ik al omstreeks eind april mijn eerste zwerm aan de tak had hangen. Dan kun je wel nagaan dat het slingeren van de voorjaarshoning gauw klaar is. Dit is dan ook één van de belangrijkste redenen geweest om over te stappen op een andere soort bij waarbij ik de zwermtraagheid als dé belangrijkste eigenschap beschouw (belangrijker als zachtaardigheid).

In "Naturgeschichte der Honigbiene" zegt Ruttner over de zwermtraagheid van de A.m.m. dat er grote verschillen binnen dit ras bestaan. Over het algemeen is het volgens hem zo dat hoe noordelijker je komt in het natuurlijke verspreidingsgebied van de A.m.m. hoe groter de zwermdrift is. De maximale zwermdrift wordt gevonden bij de zg. heidebij die in Duitsland, Nederland en België voorkomt.

Br. Adam was onder de indruk van de "winterhardheid" van het A.m.m. ekotype zoals dat te vinden was in Finland. Hij had graag die eigenschap in zijn Buckfastbij gebracht. Hij heeft daar 13 jaar kruisingswerk aan verricht maar moest na die 13 jaar concluderen dat het niet mogelijk was om deze eigenschap aan zijn Buckfastbij toe te voegen. De belangrijkste reden voor het stoppen van deze experimenten was dat de bij zeer zwermlustig werd.

Ik had graag met meneer B hierover gediscusieerd maar heb daarvoor nog niet de tijd kunnen vinden.

Romée van der Zee
Berichten: 1218
Lid geworden op: di 14 nov 2000, 00:00
Contacteer:

Re: De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Romée van der Zee » wo 31 jan 2001, 19:25

verstuurd 31-01-2001 No. 2
--------------------------------------------------------------------------------
Beste Gerard,
Net als jij herken ik in de grote lijn van het artikel veel van mijn eigen opvattingen, maar in de details roept het wel wat vragen op. Daarnaast heb ik een allergie voor termen als bodemvreemde rassen, of zuivere vorm. En ik zal de enige niet zijn.
In zuivere vorm komen dieren en mensen trouwens niet voor. Het is een voortdurend aanpassen en veranderen. In een stabiele omgeving is zijn de veranderingen klein. Maar bij verstoring kan dezelfde diersoort snel in genetisch opzicht veranderen. Daar ligt dan meteen mijn volgende bezwaar. J. v.d. Boternet ziet geforceerde selectie d.m.v. K.I. als onvermijdelijk. Hij onderschat de mogelijkheid van de huidige bijenpopulaties om zich snel aan te passen aan de huidige omstandigheden. Als hij zich zou verdiepen in, wat met een mooi woord, dedomesticatie heet, dan zou hij talloze voorbeelden kunnen vinden. Mijn stelling is dat het voldoende is als wij van de import van exoten afzien, en bijen een vrije bevruchting gunnen. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik een tegenstander van selectie door mensen ben. Ik vind het alleen niet vanzelfsprekend.

Jij bent er net als ik niet van overtuigd dat de broedstop al halverwege juli valt. Ik heb tot nu toe alleen maar donkere bijen gezien, die tot in augustus doorbroedden. Toch denk ik dat het wel waar zou kunnen zijn. In de loop van enkele duizenden jaren zal er een voortdurende aanpassing aan de drachtomstandigheden zijn geweest. Dan praat je toch over Els, wilg, linde en een kruidenlaag, die vooral in het voorjaar, tot in de zomer nectar afgeeft. De heide is een cultuurgewas van de afgelopen 200 jaar. Je kunt de daarop geselecteerde heidebij nauwelijks identificeren met de donkere bij.

Hij schrijft dat de slechte raamvastheid aan het roffelen van korfimkers te danken zou zijn. Een bewering die me niet aanspreekt. De oorzaak zal wel meer te maken hebben met de eigenschappen van de Noordafrikaanse bijen waar de apis mellifera m. oorspronkelijk vanaf stamt.

Dat de laatste wilde honingbijvolken door de varroa geveld zijn, wil er bij mij ook niet in. Het is het gebrek aan natuurlijke nestgelegenheid, en het scheppen door goedbedoelende imkers die gezorgd hebben voor de huidige situatie. Er komen overigens nog steeds bijenvolken in de 'vrije natuur'voor.

Tenslotte heb ik moeite met zijn opmerking dat er altijd voldoende werksters zijn om het broed te verzorgen omdat het broednest altijd klein is. Logisch volgt uit een klein broednest ook een klein aantal werksters. De genetische verschillen in levensduur tussen bijenrassen zijn beperkt. Maar dat is weer een ander onderwerp.

Romée,



--------------------------------------------------------------------------------
Van: Hoogland | IP: ingelogged

Frans vanTongeren
Berichten: 2016
Lid geworden op: wo 29 nov 2000, 00:00
Locatie: Nederland

Re: De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Frans vanTongeren » zo 04 feb 2001, 22:33

verstuurd 04-02-2001 No. 33
--------------------------------------------------------------------------------
Dag Gerard,
Vandebotermet..Ik ken hem niet en ook niet van de spiegel!
*
Heide-imkers gingen in april naar het fruit in de Betuwe en kwamen dan met flink ontwikkelde volken terug. Daar is dus wel oorzaak en gevolg van de ontwikkeling van broed .., aan af te lezen.
vB. denkt dit verband niet te zien bij 'zwarte bijen'.
Zes weken voor de hei begint te bloeien (tweede week augustus) moet je wel wat doen aan de bijenpopulatie. Als je niets zou doen, (en dat bedoelt Jurgen vB. denk ik) ontwikkelt het volk zich onvoldoende. Voor een snoepreis naar de heide, moet je veel personeel hebben rondlopen in je bijenkast. De koningin moet heerlijk jong zijn...Een Maxima , geen Beatrix. Zij wil haar volk nog niet verlaten in haar eerste jaar.
Er zijn donderwolkendonkerevolken die op koninginnendag hun koningin al tonen aan de buitenwereld.
Die zwerm verenig ik weer met de thuisblijvers en sluit de koningin buiten. Ik maak ze hopeloos moerloos en hang er een raam met eitjes in van hun allerbeste buren.
*
Imkeren tracht ik te doen met redeneren en vooruitzien.
Niet alles overlaten aan vermeende eigenschappen van 'het bijenras'.
En welk ras is hier nog zuiver?
Ed P. wil nu een stelletje Koernikova's introduceren in ons land.
En darren weet ik, zijn dol op Koernikova.
*
Gerard, ik vond het leuk weer eens van je scherpte en lichtvoetigheid te kunnen genieten.



--------------------------------------------------------------------------------
Van: Joppe, Nederland

Gerard Boswinkel
Berichten: 347
Lid geworden op: do 25 jan 2001, 00:00
Imker sinds: 1983
Aantal volken: 8
Bijenras(sen): Buckfast
Locatie: Eibergen
Contacteer:

Re: De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Gerard Boswinkel » di 06 feb 2001, 19:27

verstuurd 06-02-2001 No. 82
--------------------------------------------------------------------------------
Romée van der Zee schreef:Jij bent er net als ik niet van overtuigd dat de broedstop al halverwege juli valt. Ik heb tot nu toe alleen maar donkere bijen gezien, die tot in augustus doorbroedden. Toch denk ik dat het wel waar zou kunnen zijn. In de loop van enkele duizenden jaren zal er een voortdurende aanpassing aan de drachtomstandigheden zijn geweest. Dan praat je toch over Els, wilg, linde en een kruidenlaag, die vooral in het voorjaar, tot in de zomer nectar afgeeft. De heide is een cultuurgewas van de afgelopen 200 jaar. Je kunt de daarop geselecteerde heidebij nauwelijks identificeren met de donkere bij.
Ik ben het hier toch niet helemaal met je eens Romee wat je hier stelt. In Ruttner's boek haalt hij onderzoek aan van ene meneer Louveaux (of zoiets) uit het midden van de jaren 60. Hij onderzocht drie (ik dacht) melifera volken die in verschillende gebieden in Frankrijk hun oorsprong hadden. Eén volk kwam uit de buurt van Bordeaux met alleen maar heide dracht, één uit ik dacht de Chevenne met voorjaars-, zomer- en najaarsdracht en één uit de buurt van Parijs met alleen voorjaars- en zomerdracht. Hij volgde het broedpatroon van deze verschillende volken en dan zie je dat het volk waar alleen heidedracht is laat ontwikkeld en lang doorgaat met broeden terwijl het volk met alleen voorjaars- en zomerdracht vroeger begint en eerder ophoudt met broeden. Deze meneer heeft toen volken uit de regio Bordeaux naar de omgeving van Parijs gebracht dus een volk met typische najaarsdracht eigenschappen naar een voorjaars- zomerdrachtgebied gebracht. Ondanks het verhoogde drachtaanbod in het voorjaar bleven de volken het oude vertrouwde broedpatroon volgen. De honingopbrengst van de "Parijs" volken was hoger dan die van de "Bordeaux" volken.
Romée van der Zee schreef:Tenslotte heb ik moeite met zijn opmerking dat er altijd voldoende werksters zijn om het broed te verzorgen omdat het broednest altijd klein is. Logisch volgt uit een klein broednest ook een klein aantal werksters. De genetische verschillen in levensduur tussen bijenrassen zijn beperkt. Maar dat is weer een ander onderwerp.
Hoewel het een ander onderwerp is ben ik dit niet helemaal met je eens en ook Bobee zal in deze bewering zich niet helemaal kunnen vinden. Ik zal je even in het kort vertellen van een ervaring die ik heb gehad. Van een Deense teler kreeg ik een keer een koningin die een Anatolische oorsprong had. Van deze koningin heb ik nateelt gepleegd en één van deze koninginnen ingevoerd op een normale spaarkast die op één broedbak stond. Het jaar erop ontwikkelde het volk zich goed en toen het volk op 8 ramen broed stond dacht ik, kom er moest maar eens een broedbak extra bij. Na een aantal weken bleek dat het volk nog steeds in de onderste broedbak zat en slechts 8 ramen broed verzorgde en dat seizoen zwermde de moer niet. De tweede broedkamer en de later bijgeplaatste honingkamer droegen ze vol met honing. Het volk is dat najaar ook meegeweest naar de hei en daar bracht (zonder het te versterken) ook nog eens 2 HK vol heidehoning binnen. Volgens mij had ik hier te doen met een volk dat zeer langlevende bijen had want anders lijkt mij dit bovenstaande voorval niet goed mogelijk. Dergelijke langlevende bijen had ik in mijn imkerscarriere nog niet eerder meegemaakt. Mijn conclusie: volgens mij zijn er grotere verschillen in de gemiddelde levensduur van de bijen van verschillende rassen dan jij denkt.

Gerard

PS: Op jou stukje over de koninginnenteeltdag kom ik ook nog een keer terug.

Romée van der Zee
Berichten: 1218
Lid geworden op: di 14 nov 2000, 00:00
Contacteer:

Re: De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Romée van der Zee » di 06 feb 2001, 19:28

Gerard schrijft terecht dat er wel degelijk apis m.m. bijen bestaan, die gekenmerkt worden door een broedperiode die doorloopt tot in augustus. Hij haalt daarvoor Ruttner en Louveaux aan. De vraag is of dat nu wel of niet kenmerkend is voor de apis m.m.
F. Ruttner komt (Naturgeschichte der Honigbienen pag. 64) in zijn beschrijving van de apis m.m. tot de volgende slotconclusie. De betrekkelijk korte periode na de laatste ijstijd van 8.000-10.000 jaar is te kort geweest om uit de apis m.m. nieuwe, van elkaar te onderscheiden ondergroepen te laten ontstaan. Wel is het mogelijk om op basis van lokale omstandigheden verschillende kenmerken binnen de apis m. m. te beschrijven. Mede onder invloed van het werk van Louveaux, erkent hij wel dat aanpassing van de apis m.m. aan de verschillende klimatologische (en daarmee dracht-) omstandigheden, tot erfelijke vastgelegde verschillen heeft geleid. Met name de heidebij is vaak als aparte groep gezien. In 1906 bv door Von Buutel Reepen aangeduid als apis m. lehzeni.
Ook Adam (Auf der Suche, pag. 151) beschouwt de heidebij als een aparte variatie op de apis m.m. Eigenlijk vindt hij het een terugval naar de basisvorm van alle apis m.m. stammen, n.l. de apis m. intermissa uit Noord Afrika.
Tegen die achtergrond zonderde ik de heidebij af van de door Botermet besproken apis m.m.
Gerard heeft, Ruttner volgend, dus gelijk dat er Nederlandse bijen bestaan (bestonden) die tot laat in het seizoen doorbroeden.
Dat betekent bovendien dat imkers die nu in Nederland met de apis m. m. aan de gang willen gaan, behoorlijk uit moeten kijken waar ze hun eventuele teeltmateriaal vandaan willen halen.

In mijn reactie schreef ik ook over de voortdurende aanpassing van de apis m.m. aan de drachtomstandigheden. Daarbij sloot ik niet uit dat een relatief vroege afsluiting van de broedperiode begrepen zou kunnen worden uit de vegetatie die zich hier ontwikkeld heeft.

Een citaat uit Onder de hei, archeologische en historisch-geografische landschapselementen in het Gooi door Zeiler, pag. 85:
'Aan het eind van de laatste ijstijd raakte het huidige Nederland langzamerhand overdekt met dicht bos. In het Gooi was aanvankelijk de hazelaar de overheersende boomsoort, maar gaandeweg kwamen ook iep, eik, els, en linde op. Toen omstreeks 5300 v. Chr. De eerste boeren in deze streken verschenen, begonnen zij akkers in het bos aan te leggen en hun vee er te laten grazen. Dat gebeurde heel kleinschalig, maar het had op den duur toch zijn invloed op de vegetatie. In de laatste fase van de Jonge Steentijd, omstreeks 2500 voor Chr., was de ontbossing in het Gooi hier en daar al ver voortgeschreden. Uit de grondmonsters, die onder een grafheuvel uit die tijd zijn genomen, kwam een percentage heidepollen van 34,5% naar voren. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat ook precies eenderde van het gebied met hei was overdekt. We moeten altijd rekening houden met een strikt lokale situatie op de plek waar het monster is genomen. Uit de andere stuifmeelkorreltypen dat het aanwezige bos uit eik, linde berk, en hazelaar bestond en dat dit waarschijnlijk nog bijna de helft van de begroeiing uitmaakte. Het overgebleven gedeelte in het pollenspectrum, ongeveer eenzesde, kwam voor rekening van alle mogelijke grassen en andere kruiden. Het bos zal dus vrij open zijn geweest, er was zeker de nodige onderbegroeiing en hier en daar zullen heide en grasvlakten elkaar hebben afgewisseld.
Vergelijking met gegevens van enkele grafheuvels uit de Bronstijd leert, dat zo'n duizend jaar later het aandeel van de heide ten koste van de grasbegroeiing was toegenomen enz.'


Tegen de achtergrond van bovenstaand citaat komt mijn opmerking van vorige week dat de heide een halfcultuurgewas is van de laatste 200 jaar volkomen in de lucht te hangen. Al is in die periode het heideareaal wel enorm toegenomen.
Er is, zoals Gerard terecht heeft opgemerkt, veel meer te zeggen voor een Nederlandse bij, die zich duizenden jaren lang mede op een heidedracht ontwikkeld heeft, en daarom, anders dan vd Botermet stelt, veel langer dan half juli heeft doorgebroed.

Op de andere opmerking van Gerard kom ik nog terug.

Hieronder een foto van een bij voorbaat glimlachende Gerard Boswinkel op de laatste koninginnenteeltdag,
Afbeelding

Frans vanTongeren
Berichten: 2016
Lid geworden op: wo 29 nov 2000, 00:00
Locatie: Nederland

Re: De zwarte bij, een 'restauratie' / Vandebotermet

Bericht door Frans vanTongeren » do 16 aug 2001, 19:30

verstuurd 16-08-2001 No. 33
--------------------------------------------------------------------------------
Vier antwoorden van dit interessante onderwerp bleken te zijn verdwenen.
Maar.., ik heb ze kunnen opsporen!
---
Bericht van FRANS VAN TONGEREN (9 juni)
JELTE PIETER DIJKSTRA schreef o.a.:
- Ik weet wel dat ik telkens meer begin over te hellen naar ons eigen mooi inheems bijtje. Hoe bastaard ook. Hoe zwarter hoe mooier ik ze vind! Niet omdat deze misschien zuiverder zou wezen, maar puur om de kleur van de bij. Volgens mij is deze bij ook zeer vitaal. Als ik bijvoorbeeld kijk naar de ratenbouw/bestand van deze bij. Namelijk twee jaar geleden heb ik mijn eerste buckfast gekregen. De toen uitgebouwde ramen zijn nu zo zwart als het maar kan, dof en absoluut niet vitaal. Ze hebben bij de bouw al een heel andere bouw, namelijk de randen van de cellen lijken veel dikker. De raten van Apis melifera melifera blijven ook na langer gebruik veel vitaler. Ook broedramen zijn na een lange tijd nog niet eens zwart, maar donker bruin en blijven veel soepelder en fijntjes. Het is maar een deltail, maar toch. -

Gegroet
J.P.
---
JELTE PIETER DIJKSTRA schreef op 9 juni:

Heel attent van je Frans!
J.P.

P.S.Ik heb geen tijd gehad om meer te reageren. Ik had het razenddruk met de verkoop van mijn honing op de plaatselijke markt. Ik ben helemaal los, blut, finito. Ik moet mijn vaste klanten op dit ogenblik even teleurstellen.
---
FRANS VAN TONGEREN schreef op 20 juni:

Op 12-06-'01 schreef VICTOR VAN DER SPEK o.a. het volgende aan de bijeen@yahoogroups.com lezers
*
- Hier in het Utrechtse zijn een aantal imkers die proberen met de ""Nederlandse bij"" goede resultaten te behalen.
Daar zijn Hennie van de IJssel en Floor van Os er een van. Van Linda Kroes weet ik eigenlijk niets buiten dat deze ooit mij
de beginners cursus heeft gegeven samen met dhr Pater.
Verder zijn Theo de Ronde en ik er mee bezig.
Wij zetten voor ons zelf en ander 2 of 3 teelten op waarvan wij ± 50 moeren van hebben.
Hiervan blijven er na selectie dan ± 15 over, die de winter in gaan.
Kenmerken van Buckfast en andere selecteren wij er uit.
Het resultaat is de donkere bij die zich goed aan het weer aanpast en ook nog goed haalt en weinig steekt. -
*
Ik schreef aan Victor:
- Ooit heb ik van een lezing van Theo de Ronde genoten.
Hij had het over een van de Waddeneilanden, waar ze het West Europese ras zuiver wilden houden.
Weet jij daar nog wat over te vertellen? -
*
Victor antwoordde:

- Er was inderdaad een groep die een station voor de ""Nederlandse bij""
ondersteunde met veel tijd en inzet, maar door de lobby en de import van andere bijen is dit een zachte dood
gestorven. -
---
JELTE PIETER schreef op 21 juni:

Frans, je schreef aan Victor:
- Ooit heb ik van een lezing van Theo de Ronde genoten.
Hij had het over een van de Waddeneilanden, waar ze het West Europese ras zuiver wilden houden.
Weet jij daar nog wat over te vertellen? -
*
Victor antwoordde:
- Er was inderdaad een groep die een station voor de ""Nederlandse bij""
ondersteunde met veel tijd en inzet, maar door de lobby en de import van andere bijen is dit een zachte dood
gestorven. -

Ik wil hier wel even op reageren. Ik heb Bram de Schmidt hier ook wel eens iets over horen vertellen. Volgens mij speelde bovenstaande zich af nog voor de tijd dat de het carnica teeltstation was opgericht. Het kan ook wel tegelijkertijd zijn. Maar de resultaten vielen tegen. Men wilde de inlandse bij 'niet zuiver houden', maar juist proberen zuiver te krijgen. Ondanks na een paar jaar testen trad er geen verbetering op naar de gewenste eigenschappen. Men is toen opgehouden. Ik meende dat De Schmidt het zo vertelde. Ik meende tevens dat deh. Geskes hieraan heeft meegewerkt, maar zeker weet ik dit niet. Ik zal De Schmidt nog wel eens hierover vragen.

J.P.


--------------------------------------------------------------------------------
Van: Joppe, Nederland

Plaats reactie

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 4 gasten